Bijlage 1

“Zijn Maria en Elisabet ook onder de pastores?”

Lc 1, 39-56
en het pastoraat van ontmoeting

Doctoraalscriptie ter afsluiting van de theologiestudie aan de
Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht vestigingsplaats Amsterdam

door Petronella Maria Elizabeth Hogervorst-van Kampen, Juli 1997
Scriptiebegeleider: Dr J.F.M.Smit osa

Tijdens het schrijven van mijn scriptie heb ik iets interessants gevonden dat ik niet onvermeld wil laten.
Bij het bekijken van een mozaïekafbeelding van de visitatie in Parenzo uit 540 viel het mij op dat Maria en Elisabet beiden een sjerp of band dragen, die mij sterk doet denken aan de stola van een priester.
Ik wil in deze bijlage een beschrijving geven van de afbeelding, om het prachtige mozaïek wat meer bekendheid te geven en omdat het wellicht een bijdrage kan leveren aan het onderzoek naar ambten van vrouwen in de eerste eeuwen van het christendom.

MOZAÏEK UIT PARENZO, ca 540 .

Wat we zien:
Twee vrouwen, die een stukje van elkaar afstaan. Ze hebben gewelfde buiken. Ook de borsten zijn aangegeven. Haar ogen zijn wijd open. Ze houden het hoofd schuin naar elkaar toegericht en glimlachen. Ze kijken elkaar niet aan, ze hebben hun blik naar de verte gericht, of is het juist een in zichzelf gekeerde blik?
De rechter figuur lijkt groter dan de linker, maar dat komt door de ronding van de muur. De mozaïek bevindt zich in de absis van een basiliek.
Beide vrouwen lijken op te lichten door een rij steentjes om haar heen, die een aantal tinten lichter zijn dan de kleuren van de achtergrond.
Ze hebben rond haar hoofd een gouden aureool, afgezet met een witte en roodbruine bies. Haar hoofden zijn bedekt met een sluier, die lijkt over te gaan in het kleed, dat beiden over een onderkleed heen dragen. De kleur van het overkleed van de linkervrouw is purper. (Op de afbeelding is dat niet goed overgekomen). Aan de voorkant onderaan is het kleed afgezet met twee witte bandjes en versierd met twee blokken in vertikale gouden en witte strepen. Haar onderkleed is van dezelfde kleur en heef t twee gouden vertikale banen. De linker zijkant heeft franjes.
Het overkleed is aan de voorkant langer dan dat van de andere vrouw. De mantel valt over haar handen, die daardoor bedekt zijn. Ze wijst met haar rechterwijsvinger naar beneden.
De rechtervrouw draagt een geel bovenkleed. Haar onderkleed is purper en heeft twee vertikale smalle gouden bandjes.
De rechtervrouw heeft haar onbedekte handen schuin naar voren uitgestoken, iets naar buiten gekeerd. Bij beiden komt onder haar bovenmantel een witte sjerp uit, j franjes aan de onderkant. Bij de linkervrouw staat er een kruis op dat op een voetstukje staat, bij de rechtervrouw is het kruis een Maltezer kruis.
Rechts, in de opening van de deur van een huis staat op de drempel een figuurtje, met de wijsvinger van de rechterhand tegen de kin. De andere hand lijkt een gordijn op te houden. De jurk is groen met gouden bandjes en blokken en heeft een versierde ceintuur. Het figuurtje is twee keer zo klein als de twee vrouwen.
De ingang van het huis heeft een driehoekig dak. Het gordijn lijkt als deur te functioneren en is opgehangen aan lussen. Het is versierd met Maltezer kruisen en met groepjes van vijf stippen, in de vorm van een kruis.









Interpretatie:
Elisabet staat voor haar huis. Een dienstmeisje (we kwamen die figuur ook tegen op afb.3) kijkt nieuwsgierig -of is het met verbazing- naar de begroeting van Maria en Elisabet.
Het is een begroeting op afstand, een van de mogelijkheden van de uitbeelding van de visitatie.
Vreemd is hier dat de handen van Maria bedekt zijn. Bij de iconografische gegevens in de handboeken kwam ik dat gegeven niet tegen. Het kan een teken van eerbied zijn. Maar het meest opvallende en uitzonderlijke is het feit dat de twee vrouwen een witte band met een kruisje dragen. Ze doen denken aan een stola.
De schrijvers van de twee boeken, waarin ik een beschrijving van de afbeelding aantrof, melden dat de banden pallia zijn.
Van Berchem en Clouzot schrijven over de band van Maria: 'L'extrémité d'un pallium frangé, orné d'une croix pattée, passe sous le manteau' . 172
Beiden dragen 'contemporary liturgical-priestly costumes with a pallium in the form of freely hanging ribbons. ' zegt Prelog. 173
De beide boeken gaan verder niet in op het uitzonderlijke van de pallia.
Ook de door mij geraadpleegde handboeken over de iconografie geven er geen informatie over.
Maar zijn de banden wel pallia? Want een pallium is een witte wollen band met zwarte kruisjes als ereteken van de paus, patriarchen en aartsbisschoppen. 174
Dan zou je kunnen concluderen dat Maria en Elisabet een kledingstuk dragen dat alleen door de paus, patriarchen en aartsbisschoppen gedragen wordt.
Op een afbeelding midden boven in de absis van de basiliek, waar Maria zetelt met Jezus op haar schoot, draagt zij ook een witte band. Verder komt het in de basiliek niet voor, ook niet bij de afgebeelde heiligen. Maria's kleed met gouden banen en lange voorkant van het bovenkleed is, op de kleur na, die bij de anderen wit is, vrijwel identiek aan de kleding van de apostelen en mannelijke heiligen. Ook zij hebben de handen bedekt. 175
Mijn conclusie dat de vrouwen sterke theologische en profetische taal spreken, en het feit dat beiden uit een priestergeslacht komen, vind ik bevestigd op dit mozaïek uit de zesde eeuw. Zullen de banden verwijzen naar de stola's van priesters?
Ik vraag mij af of dit gegeven ooit gebruikt is en eventueel gebruikt kan worden om aan te tonen dat er in de zesde eeuw vrouwelijke priesters waren. 176












Mijns inziens ligt hier een vraag die de moeite waard is om te onderzoeken:
Zijn de banden die Maria en Elisabet op het mozaïek in Parenzo dragen een aanwijzing dat er in de zesde eeuwen in eerdere eeuwen vrouwen het ambt van priester bekleedden?

Bijlage 2

In deze tweede bijlage geef ik een beschrijving van de afbeelding op de kaft, die ikzelf maakte.

Binnen een cirkel zien we verschillende beelden samengevoegd:

links boven twee vrouwen die elkaar vreugdevol omhelzen. Beiden zijn zwanger van nieuw leven. De ontmoeting betekent veel voor haar. Van intens geluk lijken ze te zweven, alsof de zwaartekracht niet meer geldig is.

Rechtsonder staan ze ook. De ene vrouw staat op een afgehakte boom. Ze dankt God voor wat haar is overkomen en ze profeteert het rijk van gerechtigheid: 'Machthebbers haalt hij neer van de troon, vernederden richt hij op.' Ze heft haar armen omhoog, ze voelt zich bevrijd en vrij.

De andere vrouw maakt een zegenend gebaar.

De figuren kijken ons aan, om ons er als het ware bij te betrekken, ons te laten delen in haar geluk, en op te roepen mee te werken aan het Rijk van God.

Midden boven vliegt een duif -symbool van Gods geest, Gods ruach- ons tegemoet. Ze is dwars door de cirkel binnengekomen, heeft Maria en Elisabet aangeraakt en zal wellicht ook ons aanraken als wij daartoe ruimte scheppen.

Achter de duif is de zon, licht voor ons allen. Cirkels van licht zijn er ook rond de ontmoeting en de uit jubelende vrouwen.

Een tere, maar grote bloem groeit onderuit de boomstronk vandaan en doorbreekt de cirkel.

Links komen twee draden -die staan voor twee levensverhalen- uit het donkere gebergte omhoog, verstrengelen zich even en gaan vervolgens apart verder.

Een ladder met een kapotte poot helt opzij, is aan het wankelen. Deze is het symbool van het omverwerpen van de hiërarchische macht van mensen, die over anderen heersen en misbruik maken van hun macht. Ook de piramides symboliseren dat. Zij zijn reeds aan het zweven. Het is een droombeeld, een visioen.

Zoals we niet buiten elkaar kunnen en niet buiten het licht, zo kunnen we niet zonder water, vandaar het stroompje water, dat staat voor levend water, de levensbron.

De cirkel is het model van de geloofsgemeenschap in de vorm van een open kring: iedereen als gelijkwaardige naast elkaar en niet boven of onder elkaar; ieder met zijn of haar talenten en mogelijkheden, elkaar eropaansprekend en elkaar bevestigend en oproepend ten leven.

De cirkel is open, zodat er altijd mensen bij kunnen, en als teken dat er openheid is naar de maatschappij.

Noten

172. Vertaald: Het uiteinde van een pallium met franjes, versierd met een krukkenkruis, komt onder de mantel uit. M. van Berchem en E.Clouzot, [Mosaïques chrétiennes du IVme au Xme siècle. Genève, 1924, p.18l.

173. Vertaald: Beiden dragen liturgische priesterlijke kleding, zoals in die tijd gedragen werd, met een pallium in de vorm van vrij hangende banden. M.Prelog,The basilica of Euphrasius in PoreC. Zagreb, 1986, p.2l.

174. W.Knippenberg en F.Oudejans, Katholiek woordenboek. Amsterdam/Brussel, 1987. p.140.

De Grote Winkler Prins meldt dat het ereteken vanaf de 5de eeuw door de keizer aan de paus verleend werd, die het op zijn beurt, met verlof van de keizer, weer aan bisschoppen kon verlenen.

De suggestie die G.Rouwhorst, prof. dr. in de liturgiegeschiedenis, mij 16.06.97 via de telefoon gaf, dat het pallium bij Maria als keizerin (de titel die zij in de zesde eeuw krijgt, mede onder invloed van het leven van keizerin Theodora) zou kunnen horen, gaat m.i. niet op, omdat de keizerin op de mozaïeken in Ravenna geen pallium draagt en op de afbeelding in Parenzo niet alleen Maria maar ook Elisabet een stola met een kruisje draagt.

175. M.Prelog, p.24-25.

176. Het Tijdschrift voor Theologie maakt melding van een dissertatie van D.E.Eisen, Amtsträgerinnen imfrühen Christentum:
Epigraphische und literarische Studien. Göttingen, 1996. "In deze dissertatie (univ.Hamburg) onderzoekt E. een terrein dat na de exegetische en kerkhistorische studies nog braak lag: de 'alledaagse' bronnen van de epigrafiek, die ze vergelijkt met de gegevens van de 'officiële', literaire bronnen en androcentrische uitleg daarvan door de kerken. ( … ) Ongeveer 35 oudchristelijke inschriften in grieks en latijn en een enkele papyrus uit de 2de tot de 6de eeuw heeft E. opnieuw gepubliceerd." TvTh 37 (1997), A.Davids, p.89.
Hier ontbreekt de 'alledaagse' bron van de afbeeldingen op mozaïeken en schilderijen. Ik vermoed dat de mozaïek uit Parenzo (Porec) een goede bijdrage kan zijn aan het onderzoek naar de ambten van vrouwen in de eerste eeuwen van het christendom.