“Zijn Maria en Elisabet ook onder de pastores?” Lc 1, 39-56 en het pastoraat van ontmoeting Doctoraalscriptie ter afsluiting van de theologiestudie aan de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht vestigingsplaats Amsterdam door Petronella Maria Elizabeth Hogervorst-van Kampen, Juli 1997 Scriptiebegeleider: Dr J.F.M.Smit osa Het is niet zo dat ik Lc 1,39-56 bij voorbaat heb gekozen als verhaal voor het individueel pastoraat van ontmoetingY4 Eerst was er het verhaal, dat ik uitkoos voor een exegese. En soms vraag ik mij af of het verhaal mij niet gekozen heeft. Het verhaal van Maria en Elisabet is verweven met mijn vroege jeugd -met de kabouters vierden we het feest van Maria visitatie-, maar het heeft mij voor het eerst echt geraakt toen ik het, een jaar of veertien geleden, met eigen ogen begon te lezen en ontdekte dat er een ondernemende Maria in naar voren kwam, een die over bergen heen trok om naar Elisabet te gaan. Zo'n Maria was mij niet overgeleverd. Dat was een heilige, zoete, lieve en onderdanige vrouw waar ik niet zo veel mee had. Toen het op een gegeven moment ook nog tot mij doordrong dat de namen van Maria en Elisabet tevens mijn eigen namen zijn en die van mijn voormoeders, begon het verhaal nog meer aan betekenis te winnen. Ik voelde mij steeds meer met beide vrouwen, niet in het minst met Maria, verbonden. In ieder geval is er langzamerhand een relatie ontstaan: ik heb wat met het verhaal, het verhaal doet wat met mij. Zo werd het voor mij tijdens mijn pastorale stage, naast verschillende andere bijbelverhalen, een inspiratie voor het individueel pastoraat van ontmoeting en koos ik daarom voor het pastorale hoofdstuk van mijn scriptie deze invalshoek: Kan het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet, dat voor mij persoonlijk een inspiratie is, ook in het algemeen gelden als een inspiratie voor het individueel pastoraat van ontmoeting? 3.1 Bijbel en pastoraat Voor ik bovenstaande vraag ga onderzoeken, zijn er een paar voorafgaande vragen te beantwoorden. De bijbel is immers in een patriarchale tijd geschreven in een androcentrische taal en door de eeuwen heen door mannen uitgelegd en vaak tégen vrouwen gebruikt. Dit roept de vraag op of het vanuit feministisch standpunt gezien wel verstandig is een verhaal uit de bijbel als leidraad te nemen voor het pastoraat. Deze vraag wil ik eerst bekijken. Vervolgens zal de vraag beantwoord moeten worden, wat sowieso het nut is een bijbelverhaal te nemen als leidraad voor het pastoraat. En als ik over pastoraat spreek, welke vorm van pastoraat heb ik dan voor ogen? Dat zal in de daarop volgende paragraaf aan de orde komen. 3.1.1 Bijbel en feminisme In een lange geschiedenis heeft de joods-christelijke traditie haar geloofservaringen schriftelijk vastgelegd in wat 'de bijbel' is gaan heten. De bijbel is niet alleen een schriftelijke neerslag van geloof, dit boek is ook zelf weer bron van geloof. 135 Als zodanig speelt het een belangrijke rol in de gelovige christelijke gemeenschap. Maar omdat de bijbel een patriarchaal, in androcentrische taal geschreven boek is en eeuwenlang door mannen is uitgelegd en vaak tégen vrouwen is gebruikt, zweren sommige feministische theologen de bijbel af. De meesten echter vinden dat je de bijbel toch kunt blijven lezen, omdat het anderzijds ook een bron van hoop, inspiratie en engagement is. De bijbel is onderdrukkend, maar ook bevrijdend. 136 "Alleen al omdat het gezag van de bijbel zo lang misbruikt is om er de onderdrukking van vrouwen mee te rechtvaardigen moet het ter discussie gesteld worden", schrijft Fokkelien van Dijk. Zij vindt uiteindelijk dat je aan de bijbel geen gezag moet toekennen, maar dat je ermee in dialoog moet gaan. De bijbel ziet ze als een gesprekspartner, met wie je het soms wel, maar vaak ook niet eens bent.137 Schüssler Fiorenza wijst de bijbel eveneens niet af, maar ook zij vindt dat het bijbelse geschrift niet de norm moet zijn, omdat het niet gezaghebbend is. De bijbel is immers niet het onveranderlijke woord van God, maar een door mensen geschreven boek. Ze ziet dit boek als een hulpbron, dat in het teken moet staan van bevrijding van mensen. Bijbelverhalen die mensen onderdrukken of klein houden zijn verwerpelijk. 138 Schüssler Fiorenza wil een dialectische manier van bijbelinterpretatie, die recht doet aan de ervaringen van vrouwen met de bijbel als een volstrekt patriarchaal, in androcentrische taal geschreven boek, maar ook aan de ervaringen van vrouwen met de bijbel als een bron van kracht en een visioen in de strijd voor vrijheid. 139 Die dubbelheid van bevrijding en onderdrukking zijn we ook bij Lc 1,39-56 tegengekomen. Bij de exegese, hoofdstuk 1 van deze scriptie, merkten we in de perikoop niets van onderdrukking. Lucas schetst twee gelovige vrouwen, die durven te getuigen van God, die elkaar bevestigen en die beiden subject zijn. Uit de context van Lucas 1 en 2 bleek dat het verhaal niet om de vrouwen maar om haar kinderen gaat, en vooral om Jezus. Elisabet is daar geen subject, maar 'de vrouw van' en na de bevalling van Johannes 'moeder van'. Maria is in de aankondiging wel zelfstandig, maar ook bij haar zagen we de verandering tot 'moeder van'. Vooral Lc 1,38 'Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord'140 heeft vrouwen klein en nederig gehouden. In het tweede hoofdstuk over de iconografie merkte ik op dat het verhaal in de loop van de traditie verschillend werd geïnterpreteerd. We zagen de diverse interpretaties weerspiegeld in de afbeeldingen van de ontmoetingen van de beide vrouwen in de vroege en in de late middeleeuwen en in deze eeuw: de aanvankelijke gelijkwaardigheid van de vrouwen, die symmetrisch werden afgebeeld, de verschuiving naar het accent dat op Jezus komt, het knielen van Elisabet voor Maria. Het verhaal van Maria die naar Elisabet gaat, is in de middeleeuwen van inspiratie geweest tot 'plicht om een zwangere vrouw te helpen', een plicht voor vrouwen wel te verstaan.141 Tot in de jaren 50 van onze eeuw werkte dat nog steeds door, maar sinds de 60er jaren zetten we daar een vraagteken bij, daar het vooral de eenzijdige dienstbaarheid van vrouwen heeft overgeaccentueerd. Haar werden bescheidenheid, onderdanigheid, nederigheid en dienstbaarheid voorgehouden in navolging van Maria. De betekenis van de christelijke oproep tot dienstbaarheid is een van de punten waar Catharina Halkes aandacht voor vraagt als het gaat om de relatie feminisme en pastoraat. Dienstbaarheid is prima, als het maar niet ten koste van iemand gaat. 142. Bij Lucy D'Souza merkten we dat zij in het verhaal de inspiratie vond om Elisabet en Maria af te beelden als bevrijde vrouwen, dit ter bemoediging voor de vrouwen in India. Uit hoofdstuk 1 en 2 van deze scriptie is gebleken dat Lc 1, 39-56 geen tekst is die vrouwen onderdrukt en klein houdt, integendeel. Het is bovendien een opvallende perikoop binnen een in androcentrische taal geschreven boek: de ontmoeting tussen twee vrouwen die zelfstandig optreden en niet gecorrigeerd worden door een man. Bijzonder vind ik ook de beschrijving van het gehuppel van het kind in de schoot van Elisabet, een exclusief vrouwelijk gevoel, dat door Lucas verteld wordt. Je zou kunnen denken dat de correctie die Elisabet in Lc 1,44 op 1,41 geeft, werkelijk door een vrouw is gegeven. 143 De tekst van het magnificat is bevrijdend voor vrouwen en mannen die aan de onderkant of in de marge van de samenleving zitten. Maria' s lied over de machtigen die van de troon geslagen worden en de vernederden die worden opgericht, is niet alleen utopie, het is gebeurd in het verleden (Jaël, Judit), de volgelingen van Jezus ervaarden het door Jezus' optreden, door de eeuwen heen is het gebeurd en het gebeurt vandaag waar mensen opstaan die opkomen voor gerechtigheid.
Conclusie: Lc 1,39-56 heeft een groot bevrijdend potentiëel dat opnieuw aangeboord kan worden ten gunste van vrouwen en mannen die aan de onderkant of in de rand van de samenleving zitten. Aan dit alles ontleen ik het recht om verder te gaan met deze tekst, dit specifieke verhaal van Lucas over de ontmoeting van Maria en Elisabet. 3.1.2 Een bijbelverhaal als leidraad Dan ben ik nu bij de vraag aangekomen waarom we een bijbelverhaal zouden nemen als leidraad voor het pastoraat. Verhalen zijn er altijd geweest. Verhalen gaan met mensen mee. Ik toonde aan dat ook Lucas verhalen en verhaalelementen uit zijn joodse traditie gebruikte, om zijn verhaal over het leven van Jezus en Johannes en hun familie te vertellen. Op de zondagen dat de volgelingen van Jezus bij elkaar kwamen vormden de verhalen over Jezus een belangrijk element in de viering. De bijbel werd de verbinding tussen Jezus, de Christus en zijn volgelingen. Door de eeuwen heen bleven bijbelverhalen verteld worden, tot op de dag van vandaag. Als levende traditie van een gelovige gemeenschap is het zinvol om een bijbelverhaal te gebruiken als inspiratie en leidraad voor mensen, als het verhaal tenminste niet onderdrukkend werkt, maar bevrijdend. Het plaatst gelovigen van nu in de eeuwenlange christelijke traditie. Het kan een uitgangspunt zijn voor een gesprek met elkaar, waarbij de geloofsverhalen van mensen nu en mensen uit de bijbelse tijd elkaar raken. Ook kan een verhaal als symbool gaan werken. Omdat een symbool meerduidig en open is, in tegenstelling tot een teken, dat slechts een eenduidige, afgebakende betekenis heeft, kan het steeds nieuwe gezichtspunten en nieuwe betekenissen oproepen. 144 Een verhaal kan zo als kristallisatiepunt met mensen meegaan en meegroeien. Het kan een hulp en houvast zijn bij de ordening van en het zicht krijgen op eigen geloof en leven. Verhalen brengen mensen op hun eigen verhaal. 145 Zo gaat het verhaal van Maria en Elisabet met mij mee. Het is voor mij persoonlijk van steeds grotere inspiratie voor het pastoraat van ontmoeting geworden, omdat ik er veel in herken, omdat het me motiveert in mijn pastoraal handelen en me inspireert in mijn geloof. De vele afbeeldingen van de ontmoeting die de beeldtraditie ons biedt hebben die inspiratie extra versterkt. Zij maken zichtbaar wat pastoraat kan zijn: elkaar open tegemoet gaan, elkaar omarmen, elkaar in de ogen zien, eerbiedig het goddelijk kind aanraken, vreugdevol God danken en de ommekeer in de maatschappelijke orde profeteren. 3.1.3 Pastoraat Voor ik nu bij de vraag kan komen of die inspiratie van Lc 1,39-56 ook voor het pastoraat in het algemeen kan gelden, zal ik eerst duidelijk moeten maken wat ik onder pastoraat versta. Bij pastoraat gaat het mij om het individueel pastoraat van ontmoeting, waarbij ik niet alleen het pastoraat tussen een professionele pastor en een pastorant bedoel, maar vooral ook het onderling pastoraat van ontmoeting binnen een gelovige gemeenschap van gelijkwaardigen. Riet Bons-Storm spreekt van een 'open kring model' 146 Dit beeld spreekt mij zeer aan: de gemeenschap als een open kring, waarin mensen met elkaar de pastorale zorg delen, en de mensen met pastorale talenten daarin bevestigen en oproepen of uitnodigen tot pastoraal handelen. Als de professionele pastor de enige is die het pastoraat in de parochie of gemeente op zich neemt, zou het in die gemeenschap droevig gesteld zijn met de pastorale zorg voor elkaar. Zelf heb ik als 'vrijwilliger' in mijn woonparochie meerdere bijzondere pastorale ontmoetingen mogen beleven. 147 Samengevat gaat het mij om: Individueel pastoraat van ontmoeting, in een gemeenschap als een open kring model, door zowel professionele pastores als 'vrijwil-ligers 148 Ik ga voor een verdere analyse van pastoraat uit van de definitie van pastoraat van Gerben Heitink, omdat hij een gedetailleerde omschrijving geeft, waarvan ik gebruik maak om dieper in te gaan op wat pastoraat is. Kort en krachtig zegt Heitink in zijn Gids voor het pastoraat: "Pastoraat is het pastorale werk dat in en vanuit de gemeente verricht wordt. "149 Hij geeft vervolgens de volgende uitgebreide omschrijving van pastoraat: “ Onder pastoraat verstaan we die zorg en aandacht voor elkaar, die – zich richt op 'heel de mens', – oog heeft voor uiteenlopende situaties en omstandigheden, – plaats heeft via ontmoeting en gesprek, individueel of in groepen, – opkomt uit het christelijk geloof, – zich verbonden weet met de christelijke gemeenschap, – en tot gevolg heeft, dat mensen iets ervaren van zin, van bevrijding, troost, verheldering en verandering in hun leven, – samen met anderen, gericht op de samenleving. "150 Deze punten zal ik nu nader toelichten, deels met opmerkingen van Heitink, die overigens in zijn boek niet diep op de punten ingaat, deels met die van Bons-Storm en Halkes. * Zorg en aandacht voor elkaar in intersubjectiviteit 'Zorg en aandacht voor elkaar' staat bovenaan, is de basis. Zo geformuleerd omvat het zowel het professionele als het onderlinge pastoraat. Het is niet alleen de zorg van een pastor voor een pastorant, maar ook de zorg en aandacht voor elkaar, de leden van de gemeenschap. Toch is dat laatste niet vanzelfsprekend. Vanoudsher is pastorale zorg de zorg van een priester of een dominee die zich verantwoordelijk voelde (voelt) voor de zorg van 'zijn schapen'. Riet Bons-Storm gaat daar in Pastoraat als bondgenootschap uitgebreid op in. Tegenover die traditionele vorm van pastoraat noemt ze 'vrouwenpastoraat' . Dit legt expliciet de nadruk op de intersubjectiviteit: het fundamenteel gelijkwaardig zijn van twee mensen die elkaar ontmoeten. Beiden zijn subject. Zij maakt zich sterk voor het vrouwenpastoraat, dat is ontstaan uit onvrede van vrouwen met de 'heer'sende theologie en het traditionele pastoraat, waarbij de veelal mannelijke pastor niet van de hiërarchische ladder afdaalt en naast de pastorant gaat staan om echt te luisteren naar haar problemen. 151 Op deze manier is de pastor subject en de pastorant object. 'Vrouwenpastoraat' geeft duidelijk aan dat het anders moet dan het traditionele pastoraat. Ik sta daar volledig achter. Wel heb ik moeite met de naam. Ik vind het niet goed dat in de benaming 'vrouwenpastoraat' 'mannen' ontbreekt. Misschien kunnen we beter spreken van 'pastoraat in feministisch perspectief', hoewel ook dat woord nog steeds aversie oproept. Zelf spreek ik bij voorkeur van pastoraat van ontmoeting '. Deze term kom je in de literatuur nog nauwelijks tegen, terwijl het een door huidige, pas gestarte pastores veelgebruikte term is, die mijns inziens ook de lading dekt van de wederkerigheid en de gelijkwaardigheid van twee subjecten. Een echte ontmoeting tussen twee mensen kan slechts plaats hebben, als beiden open staan voor elkaar, naast elkaar gaan staan en elkaar in de ogen zien. Maar dat is niet alleen voorbehouden aan vrouwen, ook al zal ik me op p.83-84 afvragen of het voor mannen in het algemeen ook zo vanzelfsprekend is. * Heel de mens De zorg gaat 'heel de mens' aan. Blijkbaar vindt Heitink het belangrijk dit specifiek te benoemen. Met 'heel de mens' bedoelt hij de mens als eenheid van lichaam, ziel en geest, in relatie tot de mensen en de wereld om hem of haar heen.152 Het gaat bij hem P11 om de wijze waarop de mens zin, inhoud en betekenis geeft aan zijn leven. Vragen die hierbij spelen zijn: Waar leef ik voor? Wat geeft mij moed? Hoe verwerk ik zoiets? "153 Halkes verwoordt het aldus: "Het gaat om de hele mens en niet allereerst om een probleemgebied. "154 Van mensen in een ziekenhuis hoor ik regelmatig dat zij het zo fijn vinden dat ze bij het bezoek van een pastor niet degene met dat zieke lichaamsdeel zijn, maar dat het om henzelf gaat, om de mens die ze zijn, om hoe ze tegen het leven aankijken. Halkes gaat ook in op de 'heelheid' van de mens: "Het gaat er uiteindelijk om dat elke mens een persoon is, een centrum van betrekkingen, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis en bedoeld om tot heelheid uit te groeien waarin alle tegenstellingen worden verzoend en vruchtbaar gemaakt. "155 'Die oog heeft voor uiteenlopende situaties en omstandigheden', is dan een vanzelfsprekend gevolg. "Liefdevol omzien naar mensen in allerlei situaties van zorg en nood", zegt Heitink.156 Halkes noemt niet alleen de zorgkant: "Pastoraat is bij de ander zijn in deze, concrete omstandigheden: blij zijn met de blijen, wenen met de wenenden. "157 * Via ontmoeting en gesprek, individueel of in groepen De manier waarop pastoraat kan plaatsvinden is 'via ontmoeting en gesprek'. Heitink noemt ontmoeting en gesprek in één adem, als bij elkaar horend. Het moge duidelijk zijn dat ik, als ik pastoraat 'pastoraat van ontmoeting' noem, deze twee begrippen niet van gelijke orde beschouw. Bij pastoraat moet er altijd sprake zijn van een ontmoeting, terwijl ik vind dat je 'gesprek' ruim moet kunnen opvatten, omdat een ontmoeting ook woordenloos kan zijn: een arm om iemand heen, een blik, een enkel woord van troost. Het kan zijn dat mensen, in welke omstandigheid dan ook, niet meer kunnen praten. 'Er alleen maar zijn', hoe moeilijk dat vaak ook is, kan een goede 'ontmoeting' zijn, voor beide partijen. 158 Ik ben het overigens met Heitink eens dat in een ontmoeting het gesprek in de regel essentiëel is. Het is van belang goed te luisteren, mensen hebben immers vaak geen zicht op hun eigen levensverhaal. "Pastoraat is de reconstructie van de biografie." Het is goed dat levensverhaal eens na te lopen, met alle gevoelens die daarbij horen. Mensen kunnen zo de ervaring krijgen dat ze zelf subject zijn, zelf geschiedenis zijn en een verhaal mogen schrijven. Het gaat erom alles op een rijtje te zetten, op orde te krijgen, om daardoor weer plaats in de geschiedenis te krijgen vanuit een nieuwe situatie. Verleden neem je zo in het heden mee naar de toekomst. Het kan bevrijdend werken. 159 Ik beperk mij, gezien het onderwerp van deze scriptie, tot het individueel pastoraat, ook al ben ik het met Halkes eens dat groepspastoraat vaker onder de aandacht moet komen, omdat de pastor daarbij meer mensen bereikt, en omdat de mensen elkaar bereiken, gemeenschap ervaren en verantwoordelijkheid op zich nemen om 'elkaar op te bouwen' . 160 * Opkomend uit het christelijk geloof, verbonden met de gemeenschap De motivering en inspiratie tot pastoraal handelen komt op uit het christelijk geloof en wordt erdoor gevoed. Dat bijbelverhalen daar een hulpbron bij kunnen zijn, gaf ik aan in 3.1.2: Een bijbelverhaal als leidraad. Verhalen kunnen oproepend zijn en tot geloof inspireren. Ze geven bovendien verbondenheid met de hele christelijke geloofsgemeenschap, in verleden en heden, wereldwijd. Het is goed je verbonden te weten met de geloofsgemeenschap waar je bij hoort. Het is belangrijk te weten dat je er niet alleen voor staat, dat geldt zowel voor degenen die op bezoek gaan, als voor hen die bezocht worden. 161 * Dat mensen iets ervaren van 'troost' en 'uitdaging', samen met anderen, gericht op de samenleving Het uiteindelijke doel van het pastoraat is 'dat mensen iets ervaren van zin, van bevrijding, troost, verheldering en verandering in hun leven.' Halkes gebruikt in dit verband de begrippen 'comfort' en 'challenge'. Het eerste staat voor troost en bemoediging, het tweede voor uitdaging, oproep en actie, voor de profetische kritiek. Beide aspecten staan in spanning met elkaar, zijn ook niet te scheiden. Ze vullen elkaar aan en roepen elkaar op. Troost alleen kan tot berusting leiden en in de profetische kritiek wordt de uitdaging zonder troost heilloos activisme. 162 Uiteindelijk kan er zo 'samen met anderen' meer gemeenschap ontstaan. 'Gericht op de samenleving' geeft aan dat het geen binnenkerkelijk gebeuren moet blijven. De kring is niet gesloten maar open naar de samenleving, waar de geloofsgemeenschap zelf deel van is. Ik geef nu een voorlopige beschrijving van pastoraat, waarbij ik de oms/ Heitink wat overzichtelijker orden en aanvul met gedachten van Bons-Ston en Halkes. Pastoraat van ontmoeting vindt plaats in en vanuit de geloofsgemeenschap 163 in een open kring model, door zowel professionele pastores als 'vrijwilligers '. Het is de zorg en aandacht voor elkaar. Iedereen is subject en men neel verhaal serieus. De motivatie en inspiratie komen op uit het christelijk geloof Het doel van de pastorale ontmoeting is dat mensen iets ervaren van 'troost' en uitdaging '. 3.2 Lucas 1,39-56 en pastoraat van ontmoeting Nu ik het pastoraat nader heb beschreven kom ik toe aan de vraag of Lc 1,39-5 in het algemeen van inspiratie kan zijn voor pastoraat van ontmoeting. Ik wil dan ook in deze paragraaf de tekst van Lucas en 'pastoraat van ontmoeting elkaar in dialoog brengen. Voorop staat dat Lucas ons geen ideale pastorale ontmoeting heeft willen vertell beantwoordend aan de omschrijving van pastoraat in onze tijd en in onze cultuur. Hij heeft het verhaal van de vrouwen geschreven om de verhalen van haar beide kinder, samen te laten komen. En hij schreef het op voor gelovigen van zijn tijd. Toch is h verhaal voor mij een groeiende inspiratie geworden voor het pastoraat van ontmoeting. Kan dit ook in het algemeen gelden? Om daar achter te komen herneem ik dl onderdelen van mijn voorlopige beschrijving van pastoraat en zal aan de hand daarvan kijken in hoeverre de tekst van Lc 1,39-56 daarin te herkennen is, maar ik wil ook kijken of Lucas ons in zijn ontmoetingsverhaal elementen aanreikt, die in die omschrijving niet zijn opgenomen, en die wel van waarde kunnen zijn voor pastorale ontmoetingen. * Pastoraat van ontmoeting In de tekst van Lucas vinden we noch het woord 'ontmoeting', noch 'bezoek'. 'Groet' is het enige woord dat we vernemen. Aspasmos in het grieks, het woord dat we eerder tegenkwamen in de betekenis van omhelzing. 164 Toch is het verhaal van Maria die naar Elisabet gaat in de traditie bekend geworden als het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet, als feest van 'de visitatie' (het bezoek). De groet van Maria bewerkt dan ook wat een pastorale ontmoeting op haar best mag bewerken: iemand die zich verborgen houdt, komt uit haar verborgenheid te voorschijn, schreeuwend, als is ze opnieuw geboren. Meer dan de groet (en omhelzing) was er niet voor nodig. Hier blijkt mijn opmerking dat gesprek ruim genomen moet worden van toepassing te zijn. * Zorg en aandacht voor elkaar, waarbij iedereen subject is; bevestiging Maria gaat naar Elisabet, nadat ze van de engel gehoord heeft dat deze zwanger is. Ze gaat met 'haast', in een reflex van 'begaan met'. Door Maria's groet komt Elisabet uit haar verborgenheid tevoorschijn. Elisabet op haar beurt bevestigt Maria in haar zwangerschap en in haar geloof, zodat ook deze baat heeft bij de ontmoeting. Opmerkelijk vind ik dat volgens de traditie Maria is gekomen om Elisabet te helpen bij haar bevalling (zie gedicht in voetnoot 27) en dat het nu soms wordt omgekeerd: Schüssler Fiorenza bijvoorbeeld ziet in haar een jonge zwangere vrouw, wonend in bezet gebied, die bang is en alleenstaand en die hulp zoekt bij een andere vrouW.165 Het geeft in ieder geval aan dat beiden subject zijn, dat beiden aan de ontmoeting meewerken en eraan groeien. Ze hebben zorg en aandacht voor elkaar, en ze bevestigen elkaar in wie ze zijn. Het valt mij op dat Heitink 'het bevestigen van elkaar' niet noemt. Anna Terruwe heeft het belang ervan voor het welzijn van mensen tientallen jaren geleden onder de aandacht gebracht. Volgens haar bevestigingsleer schenkt de ene mens aan een andere mens authentiek gevoelde waardering, de ander ervaart in die waardering eigenwaarde en die fundamentele bewogenheid wordt door de gewaardeerde mens op zijn of haar beurt teruggestraald naar degene die hem of haar waardeerde. 166 Treffend, vind ik, dat deze beweging ook in onze perikoop plaatsvindt: Maria groet Elisabet, deze bevestigt Maria, zoals op haar beurt Maria Elisabet weer zal bevestigen in haar lied, waarin Elisabet zich zal herkennen.
Mensen kunnen elkaar aldus bevestigen en aanmoedigen om alle mogelijkheden in zichzelf tot ontplooiing te laten komen, waardoor de subject-kwaliteit van mensen vergroot wordt. 167 Dit sluit aan bij 'heel de mens', waarbij het gaat om de eenheid van lichaam, ziel en geest van mensen die elkaar ontmoeten. Deze moeten de kans krijgen te groeien en te helen, en bevestiging is daar onmisbaar bij. * Elkaars verhaal serieus nemen Lucas vertelt ons niet dat Maria en Elisabet bij hun ontmoeting aan elkaar haar verhaal hebben verteld. Maar Lucas heeft ons wel de ruimte gegeven onze eigen verhalen erbij te maken. We mogen vermoeden dat ze veel met elkaar gesproken hebben. Maria blijft immers nog drie maanden bij Elisabet. Blijkbaar is het nog nodig om zicht te krijgen op haar levens. Als Elisabet de situatie zelf aankan, (Nee, hij moet Johannes heten', of als mensen van de gemeenschap de taak van Maria kunnen overnemen 'De buren en haar familie delen in haar vreugde', gaat Maria weer naar huis: haar bezoek zit erop. Ik realiseer me dat ik er dan vanuit ga dat Maria voor Elisabet kwam. Het kan net zo goed zijn dat Maria na drie maanden ook meer zicht had op haar eigen situatie, dankzij haar ontmoeting met Elisabet. De beide verhaallijnen gaan vervolgens apart verder. Het beeld van de twee lijnen die even met elkaar verweven zijn, is ook van toepassing bij de uitbeelding van het pastoraat van ontmoeting: twee aparte levenslijnen van mensen die even samengaan, daarna gaat ieder zijn of haar eigen weg en wordt het opengelaten of er al of niet nogmaals een ontmoeting plaats zal hebben. De lijnen mogen nooit samengeknoopt worden, want mensen moeten zichzelf kunnen blijven en mogen niet in hun integriteit worden aangetast. * Opkomend uit het geloof, vanuit de geloofsgemeenschap als een open kring model Het motief voor het pastoraat is dat het opkomt uit het geloof. De inspiratie om naar Elisabet toe te gaan, kan ook bij Maria opgekomen zijn vanuit haar geloof. Zij die overschaduwd is door heilige geest, contact heeft gehad met een bode van God, werd begeesterd om naar Elisabet te gaan. Zo is zij, die God haar bevrijder noemt in haar lied, zelf de bevrijder van Elisabet geworden. Ook Elisabet is vervuld van heilige geest, waardoor ze Maria kan bevestigen. Beiden zijn vol van geloof. Lucas geeft de grote verbondenheid aan van Maria en Elisabet met de gelovige gemeenschap van het joodse volk. Die verbondenheid zagen we in heel Lucas 1 en 2 en ook duidelijk in het magnificat, als Maria in haar woorden verwijst naar de barmhartigheid van God voor het volk. Ze is verbonden met Abraham en de aartsmoeders, met Hanna, met Judit en met Debora en Jaël en niet in het minst met de God van het joodse volk. In haar lied bezingt Maria het visioen van het rijk van gerechtigheid, waar er genoeg is voor iedereen, waar mensen deel zijn van een gemeenschap van gelijkwaardigen, waar iedereen subject is. In feite zie je in het magnificat gebeuren waar wij, gericht op de samenleving, gezamenlijk voor staan: de ladder van machtsmisbruik aan het wankelen brengen, omvergooien, de piramides afbreken. 168 * Troost en uitdaging Het doel van de pastorale zorg is 'dat mensen iets ervaren van zin, van bevrijding, troost, verheldering en verandering in hun leven' . Ik denk dat al deze woorden op Elisabet van toepassing zijn, gezien het beeld dat we van haar gekregen hebben. Ook gelden ze voor Maria, wat blijkt uit haar bevrijdingslied. De 'troost' en 'uitdaging' zijn beide aanwezig in Lc 1,39-56. In de traditie is vooral de troostkant sterk naar voren gekomen. Op de afbeeldingen van Maria en Elisabet zagen we steeds de begroeting, de omhelzing, de lichamelijke aanraking. Maar ook de uitdagende kant is sterk aanwezig in deze perikoop. De taal die Elisabet tot Maria spreekt is zo krachtig en oproepend, dat Maria op haar beurt tot haar profetische lied komt. Binnen het magnificat zien we beide aspecten prachtig verenigd: de persoonlijke religieuze taal, die tot troost is, en de krachtige taal van de omkering van de bestaande sociale orde: Maria stelt in de kern van haar lied de bestaande machtsverhoudingen aan de kaak en ze zingt in het lied haar oprecht geloof uit dat het zal veranderen: de machtigen slaat hij van de troon, de vernederden richt hij op. * In verbondenheid met God Lucas geeft extra accenten in zijn ontmoetingsverhaal. De bevestiging van elkaar heb ik reeds genoemd, een tweede element is de verbondenheid met God, die Lucas expliciet beschrijft. Gods adem, Gods geest heeft beide vrouwen aangeraakt, 'geïnspireerd'. In haar loflied, bezingt Maria God met diverse namen. De machtige, de allerhoogste en Heer en Koning zijn beelden van een 'heer' -sende God. Maar ze noemt God ook als bevrijder, God die de vernedering heeft gezien van zijn slavin, God die barmhartig is, een die zijn belofte aan Abraham en Sara gestand doet, die zich zijn verbondsgedachte herinnert. En, wat meer verborgen, het beeld van God die via mensenarmen werkt. Halkes zegt hierover: "Het is van het grootste belang als het om de verhouding tot God gaat, dat de pastor hen (vrouwen) God kan bemiddelen die niet de dominante autoriteit is tegenover wie ze zich klein voelen, maar die de kwetsbare, mee-lijdende èn creatief luisterende God is als bron van hun bestaan, die hen tot spreken oproept, die hen uit hun bestaan zonder naam, zonder gezicht en zonder een eigen stem bevrijdt. P11169 Het is deze God waarover ik Maria ook hoor zingen. Ik vind het belangrijk de verbondenheid met God in een beschrijving van pastoraat op te nemen. In een ontmoeting, waar respect en eerbied is voor elkaar, kan er ruimte zijn voor Gods geest. Dat gebeurt bij Maria en Elisabet en dat kan ons gebeuren. Na een intense ontmoeting kun je Gods aanwezigheid hebben ervaren, je je dat vaak pas achteraf realiserend. Na deze dialoog met Lucas zal ik mijn voorlopige beschrijving van pastoraat aanvullen met twee toevoegingen die ik bij Lucas aantrof en die ik belangrijk vind voor pastoraat van ontmoeting: – de onderlinge bevestiging, – de relatie met God. Mijn omschrijving van pastoraat van ontmoeting is nu: Pastoraat van ontmoeting vindt plaats in en vanuit de geloofsgemeenschap in een open kring model, door professionele pastores en 'vrijwilligers '. Het is de zorg en aandacht voor elkaar. Iedereen is subject. Mensen nemen elkaars verhaal serieus en ze bevestigen elkaar. Er is verbondenheid met de geloofsgemeenschap en met God. Het doel van de pastorale ontmoeting is dat mensen iets ervaren van 'troost' en 'uitdaging '. In de perikoop van de ontmoeting tussen Maria en Elisabet vinden we veel elementen van deze omschrijving terug. Bij Lucas vindt er geen gesprek plaats tussen de twee vrouwen, maar de begroeting bewerkte wat het doel van een pastorale ontmoeting is: iets ervaren van troost en uitdaging. Maria en Elisabet zijn elkaars pastor, zoals dat ook mogelijk is binnen een gelovige gemeenschap in het model van een open kring, waar mensen naast elkaar staan en niet boven of onder elkaar, waar mensen zorg hebben voor elkaar. Dat pastoraat van ontmoeting niet van een professionele pastor hoeft af te hangen, laten ons Maria en Elisabet zien. Twee 'gewone' vrouwen die elkaar ontmoeten groeien aan elkaar. Ik ben dan ook van mening dat ik kan concluderen dat de ontmoeting van Maria en Elisabet een pastorale ontmoeting is. Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of het verhaal ook een inspiratie is voor het pastoraat van ontmoeting in het algemeen. 3.3 Lucas 1,39-56: een inspiratie voor het pastoraat van ontmoeting in het algemeen? Of het verhaal een inspiratie kan zijn in het algemeen is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Eerst bekijk ik: wat het betekent dat het verhaal gaat over een ontmoeting tussen twee vrouwen. Daarna stel ik: de relatieve onbekendheid van het verhaal aan de orde. 3.3.1 Een ontmoeting tussen twee vrouwen Het uitzonderlijke van Lc 1,39-56 is dat het een verhaal is over een ontmoeting tussen twee zwangere vrouwen die als gelijkwaardigen naast elkaar staan en krachtige theologische taal spreken. Door de ontmoeting hebben beide vrouwen zicht op haar leven gekregen. Verhalen in de bijbel over twee vrouwen zijn in de minderheid. En in de verhalen die er zijn, worden de vrouwen in de tekst en in de uitleg meer dan eens tegen elkaar uitgespeeld, zoals Sara en Hagar, Lea en Rachel, Marta en Maria. Opvallend is dat dat bij Elisabet en Maria niet is gebeurd. Ze zijn gelijkwaardig. We zagen zelfs dat in sommige manuscripten Elisabet het magnificat zingt. Ik maak daaruit op dat beiden de capaciteit hebben om het bevrijdingslied te kunnen zingen. Lucas biedt een verhaal waar twee vrouwen samenkomen. Ze worden niet gecorrigeerd door een man. Ze zijn beiden subject. Voor vrouwen is het dan ook een verhaal vol mogelijkheid tot identificatie, een verhaal dat vrouwen kan oproepen tot zelfbewuste vrouwen, die geschikt zijn voor het pastoraat. Voor vrouwen is het een inspirerend verhaal. Maar tegelijkertijd zitten we met 'het probleem' of het verhaal ook voor mannen een inspiratie kan zijn. Want het is maar de vraag of mannen zich kunnen herkennen in het beeld van twee zwangere vrouwen en in de intense manier waarop zij elkaar omhelzen en begroeten. Omdat vrouwen zich altijd hebben moeten kunnen herkennen in beelden van mannen, zoals de Emmausgangers, de vissers, de herders, zou je je kunnen afvragen of het voor mannen dan ook mogelijk moet zijn zich te herkennen in vrouwen. Ik heb daar geen antwoord op, zoals ik er ook geen zicht op heb of mannen net zo' n behoefte hebben ann intense ontmoetingen als vrouwen. Nader onderzoek zou hiervoor nodig zijn. Ik ervaar persoonlijk, en vele vrouwen met mij, dat je als vrouw in het voordeel bent bij pastoraat van ontmoeting: een arm om iemand heen kan troostend en bemoedigend zijn. Voor mannen is die manier van omgaan met elkaar en met vrouwen in onze cultuur minder vanzelfsprekend. Vooralsnog pleit het dan ook tégen de stelling dat het verhaal een inspiratie is voor pastoraat van ontmoeting in het algemeen. Maar omdat we ook zagen dat het een inspiratie kan zijn voor vrouwen in het bijzonder, concludeer ik dat het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet en het magnificat ook voor anderen, met name voor vrouwen, een inspiratie is voor het pastoraat van ontmoeting. 3.3.2 De betrekkelijke onbekendheid van Lc 1, 39-56 Aan het einde van hoofdstuk 1 en 2 (p.67) constateerde ik weliswaar dat het verhaal van Lc 1,39-56 door de eeuwen heen verteld is en is weergegeven in eigentijdse beelden, maar wat ik mij steeds meer realiseer is dat we daaruit niet kunnen concluderen dat het daarom in onze tijd een bekend verhaal is. Als mensen mij vragen naar het onderwerp van mijn scriptie, ervaar ik telkens weer dat het verhaal van Maria en Elisabet niet of nagenoeg niet bekend is. Zoals ook het verhaal van de verborgenheid van Elisabet nauwelijks bekendheid geniet, en niet alleen binnen r.k.traditie.170 Ik vraag me af of die betrekkelijke onbekendheid komt omdat Jezus in deze perikoop geen actieve rol heeft. Maar wellicht spelen meer factoren mee, zoals het feit dat het een ontmoetingsverhaal over twee vrouwen is. Tot voor kort waren het immers alleen mannen die de Schrift verkondigden. Het zou weleens bedreigend kunnen zijn voor mannelijke pastores om deze twee vrouwen aan het woord te laten, om haar krachtige taal te laten horen, en te verkondigen dat het vrouwen zijn die profeteren. Bij de vraag of mannen zich kunnen identificeren met twee zwangere vrouwen, zou ook deze vraag over een mogelijke bedreiging meegenomen kunnen worden. Om van inspiratie te kunnen zijn is het echter wel van belang dat het verhaal bekend is. Ik wil er dan ook voor pleiten dat binnen de officiële liturgie de ontmoeting en het magnificat niet worden losgekoppeld. In voetnoot 133 merkte ik al op dat het Lectionarium voor het C-jaar op de vierde zondag van de advent Lc 1,39-45 voorschrijft. Op 31 mei en 15 augustus staat Lc 1,39-56 wel als geheel aangegeven, maar wanneer deze feesten niet op de zondag vallen zal de zondagse kerkganger er doorgaans niets over horen. Zo zou ik er ook voorstander van zijn daar waar alleen het magnificat klinkt, de relatie met het ontmoetingsverhaal te leggen. Daarnaast pleit ik ervoor dat het verhaal binnen het pastoraat meer de aandacht krijgt. Verhalen kunnen immers pas met je meegaan als je ze kent, als je je er samen met anderen in verdiept. Uit ervaring weet ik dat werken met groepen rond een bijbelverhaal inspirerend kan werken. Cursussen rond de praktijk van bezoekwerk zijn er genoeg, maar het is ook goed om naast de praktische kant op gezette tijden meer bezinnende bijeenkomsten te organiseren, omdat ook de spiritualiteit gevoed moet worden. Een thema als: Maria en Elisabet, pastoraat van ontmoeting? zou een boeiend onderwerp kunnen zijn. Een schat aan materiaal, als hulpbron voor het werken met groepen, biedt ons de traditie van de iconografie. 3.4 Conclusie * Lucas heeft het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet niet als een verhaal over een pastorale ontmoeting geschreven, maar het is verrassend te ontdekken hoeveel elementen we erin tegenkomen van wat pastoraat inhoudt. Het doel: iets ervaren van troost en uitdaging, is ruim bereikt. Het verhaal laat zien dat na een intense ontmoeting, waarin ruimte is voor Gods geest, en waarin mensen elkaar bevestigen in geloof en leven, mensen in staat kunnen zijn om te profeteren, om onrecht te benoemen, om in beweging te komen. Ik heb geconcludeerd dat het een pastorale ontmoeting is. * Ik kan niet concluderen dat het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet in het algemeen een inspiratie is voor het pastoraat van ontmoeting. De vraag of mannen zich wel met twee zwangere vrouwen kunnen identificeren!7! en zich kunnen herkennen in de manier waarop vrouwen met elkaar omgaan, zal daartoe eerst onderzocht moeten worden. De vraag of het verhaal voor mannen bedreigend is kan er in worden meegenomen, evenals de vraag hoe het komt dat het verhaal relatief onbekend is. * Voor vrouwen is het echter een uniek bijbelverhaal. Ik concludeer dan ook dat het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet en het magnificat ook voor anderen, met name voor vrouwen, een inspiratie kan zijn voor het pastoraat van ontmoeting. * Maar dan moet het verhaal van de ontmoeting inclusief het magnificat, wel bekend zijn. Zolang het verhaal van de ontmoeting en het magnificat niet samen verkondigd worden, samen beleefd en doorleefd, zal de kracht ervan niet werken. Ik pleit er dan ook voor om in de liturgie het bezoek van Maria aan Elisabet en het magnificat niet van elkaar los te koppelen; en bovendien om het verhaal via bezinningsbijeenkomsten te leren kennen en te doorleven, zodat het daadwerkelijk de mogelijkheid krijgt om een inspiratie te kunnen zijn voor het pastoraat. Noten134. Andere bijbelse ontmoetingsverhalen zouden dan wellicht eerder voor de hand liggen, zoals bijv.: Lc 18,35-43: de ontmoeting van Jezus en de blinde; Lc 19,1-10: Jezus en Zacheus; Joh.4,1-39: Jezus en de Samaritaanse; Mc 7,24-30: Jezus en de Syrofenicische; en als voorbeeld bij uitstek Lc 24,13-35: Jezus en de Emmausgangers. 135. J.Spema Weiland (red.) Antwoord. Gestalten van geloof in de wereld van nu. Amsterdam, 19893 p.140. 136. Zie: E.Schüssler Fiorenza, Geen stenen voor brood. De uitdaging van de feministische bijbelinterpretatie. Hilversum, 1986. 137. F.van Dijk, 'Enkele stellingen m.b.t. exegese in feministisch perspectief, p.13. 138. E.Schüssler Fiorenza, Geen stenen voor brood, p.36. 139. Idem, p.11. 140. Vertaling van de Petrus Canisius. 141. Zie voetnoot 27. 142. C.Halkes, Feminisme en pastoraat, in: Zoekend naar wat verloren ging. Enkele aanzetten voor een jeminstische theologie. Baarn 1984, p.132-159. 143. Fokkelien van Dijk heeft in haar proefschrift onderzoek gedaan naar sporen van vrouwenteksten in de Hebreeuwse bijbel. Zie een samenvatting van haar proefschrift in: De dubbele stem van haar verlangen. Teksten van Fokkelien van Dijk-Hemmes. Verzameld en ingeleid door J.Bekkenkamp en F.Dröes. Zoetermeer, 1995. p.171-177. Ik vermoed dat Lc 1,44 en 1,41 sporen zijn van een vrouwemekst in de christelijke bijbel. 144. Zie ook G.Lukken, Geen leven zonder rituelen. Antropologische beschouwingen met het oog op de christelijke liturgie. Hilversum, 19883, p.l0-21. 145. Zie ook: J.Smit, Speelruimte. Hij haalt J.van der Lans aan, die ervoor pleit mensen met de bijbelse verhalen vertrouwd te maken, omdat ze langs die weg weer tot religieuze ervaring kunnen komen. J.Smit, Speelruimte. Een structurele lezing van het evangelie. Hilversum, 19832, p.129. 146. Zie: R.Bons-Storm, Pastoraat als bondgenootschap. Aanzet tot vernieuwing van de kerkelijke praktijk vanuit het vrouwenpastoraar. Kampen, 1992. 147. Ook C.Halkes schrijft haar boek De horizon van het pastorale gesprek voor zowel 'de zogenaamde professionele pastores als voor de vrijwilligers, wier werk niet minder deskundig hoeft te zijn.' C.Halkes, De horizon van het pastorale gesprek. Haarlem, 1977, p.6. Bovendien kunnen 'de zogenaamde professionele pastores' minder getalenteerd zijn op het gebied van pastoraat, terwijl ze bijvoorbeeld wel uitstekende liturgen of catecheten zijn. 148. Met 'vrijwilligers' bedoel ik dus de parochianen of gemeenteleden die zich geroepen voelen tot het pastorale werk, en in al of niet toevallige ontmoetingen pastor zijn voor elkaar. Via o.a. pastorale scholen, richting 'pastoraat', worden steeds meer mensen geschoold op dat terrein. Bovendien zijn er natuurtalenten. 'Vrijwilliger' vind ik geen goed woord, maar ik heb geen beter alternatief. 'Vrijwillig' is allerminst 'vrijblijvend'. 149. G.Heitink, Gids voor het pastoraat. Kampen, 1983, p.10. 150. Idem, p.11. 151. Bons-Storm gebruikt het beeld van de ladder als heersend model voor de ordening van de samenleving. In de relatie bovenonder, hoger-lager, is hoog en boven altijd beter en waardevoller dan onder en beneden. De hoogste waarde is die van de beheersing en de handhaving van de orde. Ladderdenken geeft mannenmensen meer waarde dan vrouwenmensen. R.Bons-Storm, Pastoraat als bondgenootschap, p.165. 152. G.Heitink, Gids voor het pastoraat, p.10. 153. Idem, p.14. 154. C.Halkes, De horizon van het pastoraal gesprek, p.16. 155. C.Halkes, Feminisme en pastoraat, p.143. 156. G.Heitink, Gids voor het pastoraat, p.10. 157. C.Halkes, De horizon van het pastoraal gesprek, p.44. 158. Zie bijvoorbeeld: G.Zuidberg, Barmhartigheid en trouw in het pastoraat. Notities voor een spiritualiteit van de volharding. Baarn, 1992. En: F.Haverbeke, "Zoals een mantel om mij heen geslagen … " Gedachten over pastoraat bij de divisie Ouderenzorg in Langeveld te Noordwijk. Noordwijk, 1997. 159. Colleges pastoraat, B.Höfte, DVSF, 1993/94. 160. C.Halkes, De horizon van het pastoraal gesprek, p.9. 161. Een praktisch voorbeeld hiervan vond ik bij Dodo van Uden: In de woorden van het traditionele joodse gebed voor de zieke wordt gevraagd om de genezing van de zieke 'temidden van de andere zieken in de gemeenschap'. Hetzelfde geldt voor de traditionele troostformule. Y.Aschkenasy, P.Tomson, D.van Uden, W.Whitlau, Geliefd is de mens. Anikelen rondom de Joodse traditie. Hilversum, 19834· D.van Uden, Chèsèd, p.108. 162. C.Halkes, De horizon van het pastoraal gesprek, p.73-75. 163. Voor mij is dit inclusief 'in verbondenheid met de geloofsgemeenschap en gericht op de samenleving '. 164. Zie noot 130. We zullen ons moeten realiseren dat 'groet' in de bijbelse tijd meer inhoudt dan ons 'hallo'. 165. E.Schüssler Fiorenza. Jezus, kind van Mirjam, profeet van Sophia. Kritische bijdragen tot de feministische christologie. Kampen, 1997, p.225. 166. A. Terruwe, Hooglied van de nieuwe liefde. Antropologie van de weerhoudende liefde. (Red.H. van Cranenburgh), Baarn, 1996, p.31-32. 167. Zie ook Bons-Storm, Pastoraat als bondgenootschap, p.74. 168. Het beeld van de ladder van Bons-Stonn is weliswaar duidelijk, maar erg simpel. Lieve Troch hanteert het beeld van meerdere machtspiramides naast elkaar, zoals de piramide van arbeid, sexueel gedrag, leeftijd, fysieke mobiliteit, de plaats binnen de r.k.kerk, e.d. Het is goed je bewust te zijn van de diverse plaatsen die je inneemt in de verschillende piramides. L.Troch, Studiedagen toeleiding bisdom Rotterdam, april 1996. Ik denk dat het beeld van de piramides reëler is, omdat het de diversiteit beter weergeeft en tevens de moeilijkheid aangeeft van het omverwerpen ervan. Een poot onder een ladder vandaan zagen lijkt gemakkelijk, terwijl het doorbreken van ladderdenken in werkelijkheid een zeer langdurig en moeizaam proces is. 169. C.Halkes, Feminisme en pastoraat, p.146. 170. Een dominee zei mij, toen ik erover vertelde: "Dat is zeker een roomse legende." (07.05.97) 171. Het trof mij in 'De katecheet als vroedvrouw in een post-moderne tijd' het volgende te lezen: "De katecheet is in dit leerproces niet zo zeer een docent die iets over te dragen heeft, alswel een vroedvrouw die een ander mens helpt zelf te baren waar hij (sic!) zwanger van is." Ph. van Heusden, 'De katecheet als vroedvrouw in een post-moderne tijd', in: Een twee een, 24(1996), p.388. 4 Conclusie Voor mijn doctoraalscriptie theologie koos ik het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet. Twee vragen stelde ik daarbij: Hoe het verhaal in de loop van de traditie tot ons is gekomen, en of Lc 1,39-56, dat voor mij persoonlijk een inspiratie is voor het pastoraat van ontmoeting, ook in het algemeen een inspiratie voor het pastoraat van ontmoeting kan zijn. Ik heb daartoe drie stappen gezet: ik maakte in het eerste hoofdstuk een uitgebreide exegese vanuit feministisch perspectief van Lc 1,39-56 om zicht te krijgen op de tekst zoals Lucas die vertelt. In hoofdstuk 2 heb ik aan de hand van afbeeldingen onderzocht hoe het verhaal in de loop van de traditie tot ons is gekomen, om tenslotte in het derde hoofdstuk een verbinding te maken met het pastoraat van ontmoeting en de tekst van Lucas, om na te gaan of het verhaal een inspiratie kan zijn voor het pastoraat van ontmoeting in het algemeen. * Door te kijken naar de plaats die Lc 1,39-56 inneemt binnen Lc 1 en 2 constateerde ik dat Lucas het verhaal van de ontmoeting van Maria en Elisabet vertelt om de verhalen van Johannes en Jezus met elkaar te verbinden, want uiteindelijk gaat het om de verhalen van beide kinderen en om die van Jezus in het bijzonder. Maar ook al gaat het om de kinderen, Lucas schenkt ons daarmee een bijzonder verhaal, dat er mijns inziens net zo goed niet had hoeven staan, omdat het verhaal na Lc 1,38 zo met Lc 1,57 vervolgd zou kunnen worden, zonder de loop van de twee verhaallijnen geweld aan te doen. Het is een uitzonderlijke perikoop, waarin twee vrouwen elkaar ontmoeten. Ze zijn beiden subject, groeien aan elkaar, en spreken sterke theologische taal. De ontmoeting lijkt essentiëel voor beiden. Ze hebben zicht op haar levens gekregen. Maria heeft de hoofdrol, zij neemt het initiatief voor de ontmoeting en krijgt van Lucas de meeste spreektijd. Maar ook Elisabet heeft een wezenlijke rol. Zij bevestigt Maria in haar zwangerschap, ze zegent Maria en haar kind, en spreekt een zaligspreking uit. Op haar beurt wordt Maria geïnspireerd tot haar lied, dat in de traditie het magnificat is gaan heten. Ze zingt het zelfbewust. Het magnificat is onverbrekelijk met de ontmoeting verbonden. Het is een lied, waarin veel facetten samenkomen, zoals het persoonlijk religieuze: ze dankt God voor haar bevrijding, en het maatschappelijke-politieke: ze zingt van de omgekeerde maatschappelijke orde. In feite zingt ze over het messiaanse programma van haar zoon. De verbondenheid met 'het joodse volk is duidelijk aanwezig. De vrouwen staan midden in de joodse traditie. Lucas legt in Lc 1 en 2 en in deze perikoop een verbinding met het Oude Testament. Er is niet alleen een relatie met de aanvankelijk onvruchtbare voormoeders, ook met vrouwen die bevrijders zijn geworden van het volk Israel. Zo moeder, zo zoon, en zo zoon zo moeder is op de vrouwen en haar kinderen van toepassing. Elisabet kondigt Jezus aan en profeteert zoals Johannes later ook zal doen en Maria bevrijdt Elisabet uit haar verborgenheid, zoals Jezus tijdens zijn leven ook vele 'vernederden' zal bevrijden. Kortom: Maria en Elisabet worden door Lucas niet alleen als twee zwangere vrouwen geschetst, ook als twee zelfstandige vrouwen, ieder met een eigen taak. Ze spreken sterke theologische taal, inspireren en bevestigen elkaar en durven getuigen van God. * Niet alleen via de verkondiging, ook via de beeldende kunst is het verhaal van 'de visitatie' aan ons overgeleverd. In het tweede hoofdstuk heb ik de insteek van de iconografie genomen om te kijken hoe het verhaal in de loop van de traditie via de schilderkunst tot ons is gekomen. Aanvankelijk staan de vrouwen symmetrisch naast elkaar. Meestal omhelzen ze elkaar innig. Het is op het eerste gezicht niet altijd even duidelijk wie wie is. In de loop van de middeleeuwen zien we een verandering optreden. Het gaat niet meer om de twee vrouwen: Elisabet knielt voor Maria, voor het kind in haar schoot. Het gaat heel duidelijk om Jezus, om het mysterie van de menswording van God. Op een enkele uitzondering na zien we pas op het einde van de 20ste eeuw het uitbeelden van het magnificat. Op mijn eerste vraag: Hoe het verhaal in de traditie tot ons is gekomen, kan ik antwoorden dat de ontmoeting en het magnificat in de traditie van elkaar zijn losgekoppeld. De relatie tussen de ontmoeting en het magnificat is niet gelegd, omgekeerd wordt doorgaans het magnificat, dat als lied gezongen wordt, niet gekoppeld aan de ontmoeting van de twee vrouwen. De twee aspecten die het verhaal biedt, het devotionele, de troostkant, en het uitdagende, de profetische kant zijn niet even sterk overgeleverd. De troostkant heeft eenzijdig de volle aandacht gehad, maar de uitdagende, oproepende, politieke en strijdbare kant, met name aanwezig in het magnificat, is eerst in de jaren 70 van deze eeuw via de bevrijdingstheologie in zicht gekomen. Zo is ook het moederschap van de vrouwen overgeaccentueerd. Het verhaal is bijvoorbeeld gebruikt als inspiratie tot verplichting voor vrouwen om zwangere vrouwen te helpen. Dat beide vrouwen door Lucas ook als profeet en bevrijder zijn geschetst, is nauwelijks tot de uitleg doorgedrongen. Ik vind dat de traditie daarmee Lucas, Maria en Elisabet, en ook ons, vooral vrouwen, tekort heeft gedaan. * In het derde hoofdstuk heb ik aangegeven dat je ook vanuit feministisch standpunt een bijbelverhaal als inspiratie en leidraad kunt nemen voor het pastoraat, mits het verhaal bevrijdend en niet onderdrukkend werkt. Lc 1,39-56 heeft een groot bevrijdend potentiëel in zich en kan dus op een positieve manier inspiratie geven. Verhalen kunnen met mensen meegaan en een verbinding leggen met hun eigen verhaal. Bijbelverhalen in het bijzonder geven een verbondenheid met de traditie van de christelijke geloofsgemeenschap en kunnen helpen om zicht te krijgen op eigen geloof en leven. Bij pastoraat gaat het mij om het individueel pastoraat van ontmoeting door zowel professionele pastores als 'vrijwilligers'. Het is de zorg en aandacht voor elkaar, in en vanuit de geloofsgemeenschap. Ik gebruik het beeld van de open kring, waar mensen als gelijkwaardige subjecten naast elkaar staan en niet boven of onder elkaar. Ook al heeft Lucas ons het verhaal niet verteld als een voorbeeld van een pastorale ontmoeting in onze tijd, toch heb ik tot mijn verrassing veel elementen van de omschrijving van pastoraat, zoals Gerben Heitink die geeft, in het verhaal kunnen herkennen. Twee accenten die Heitink in zijn beschrijving niet noemt, maar die mij bij Lucas als waardevol opvielen, heb ik toegevoegd aan de beschrijving van pastoraat, te weten: het bevestigen van elkaar en de verbondenheid met God. Ik heb kunnen vaststellen dat de ontmoeting van Maria en Elisabet, ook al is er geen sprake van een 'echt' gesprek tussen de twee vrouwen, een pastorale ontmoeting is, omdat het doel: iets ervaren van troost en uitdaging, ruim bereikt is. * Mijn tweede vraag of het verhaal in het algemeen kan gelden als een inspiratie voor het pastoraat van ontmoeting, heb ik niet kunnen beantwoorden, omdat ik niet weet of met name mannen zich kunnen identificeren met twee zwangere vrouwen en met de manier waarop deze met elkaar omgaan. * Een nieuwe onderzoeksvraag heeft zich dan ook aangediend: of Lc 1,39-56 ook voor mannen een inspiratie kan zijn voor pastoraat van ontmoeting. Waarbij ook zou kunnen worden onderzocht waardoor het komt dat het verhaal ons eenzijdig is overgeleverd en relatief onbekend is. * Maar, omdat het een uniek verhaal is over een ontmoeting tussen twee vrouwen, heb ik wel kunnen concluderen dat het verhaal van Maria en Elisabet en het magnificat een inspiratie is voor anderen, met name voor vrouwen. Slotwoord Een leerzame periode ligt achter me. Maria en Elisabet hebben me meer opgeleverd dan ik van te voren had kunnen bedenken. Niet alleen heb ik meer zicht gekregen op het op een wetenschappelijke manier uitleggen van een bijbeltekst en het logisch ordenen van het beantwoorden van een vraagstelling, ook mijn beeld van het pastoraat van ontmoeting en van de pastor die ik wil zijn is verhelderd en verdiept. Dat het verhaal mij zoveel kon opleveren heb ik voor een zeer groot deel te danken aan mijn scriptiebegeleider Joop Smit, die mij vol geduld en positief kritisch begeleidde op de voor mij moeizame weg van de wetenschap. Ik wil dan ook mijn dank aan hem uitspreken. Tevens bedank ik Joop van der Helm, de tweede beoordelaar van mijn scriptie; Loes van der Have-Meijer die mij bij hoofdstuk 2 kritisch heeft bijgestaan; Rite van Brummelen-Altena die het script op taal corrigeerde; Ria Hogervorst die mij hielp bij de lay out. Mijn gezin bedank ik en alle anderen die mij bemoedigden en bevestigden, en dat zijn er velen. Het verhaal van Lc 1,39-56 laat mij niet los en ik laat het verhaal niet los. Het blijft met me meegaan en zal steeds nieuwe uitdagingen geven, nieuwe vragen oproepen, nieuwe inspiratie bieden voor mijn pastoraat en voor mijn geloof en leven. Zo kan dat met een verhaal gaan, zo gaat dat met dit verhaal met mij en met, naar ik aannemen mag, vele anderen, vooral vrouwen. Maar dan moet het verhaal wel bekend zijn. Ik zal er in ieder geval over vertellen, en van getuigen: "Ook Maria en Elisabet zijn onder de pastores!" Noordwijkerhout, juli 1997. |