Het beginsel van gelijkheid
| Regels voor de correcte interpretatie van de H. Schrift |
![]() |
| * De ‘letterlijke’ betekenis |
| * Literaire vormen |
| * Het beoogde doel |
| *Rationaliseringen |
Ga eens twee duizend jaar terug in Paulus’ Grieks-Romeinse wereld. Diepe en fundamentele ongelijkheid verdeelt de maatschappij. De Grieken en de Romeinen waren overtuigd dat sommige mensen geschapen waren om vrij te zijn, anderen om tot slaaf gemaakt te worden. Vrouwen waren van nature de mindere van mannen in het algemeen, en bestonden om hun man te dienen. Zelfs de Joden waren het met deze ongelijkheid eens, en geloofden dat deze door God gewild was. Zij voegden nog hun eigen ongelijkheid toe: het onderscheid tussen de uitverkoren kinderen van Abraham en de heidenen.
Deze eeuwenoude vooroordelen die hun wortels hadden diep in de sociale structuren en de heersende cultuur konden niet onmiddellijk worden uitgeroeid. Maar een man als Paulus zag duidelijk dat Christus een geheel nieuwe werkelijkheid had gevestigd waarin dergelijk onderscheid niet langer gold. In Christus zijn de mensen ‘herschapen’.
Paulus schreef aldus:
Trek de oude mens met zijn gedragingen uit,
bekleed u met de nieuwe mens,
die wordt vernieuwd tot het ware inzicht,
naar het beeld van zijn schepper.
Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood,
besnedene of onbesnedene,
barbaar, Skyth,
slaaf, vrije mens.
Maar alles in allen is Christus.
Colossians 3,9-11
Het gaat niet om besnijdenis of onbesnedenheid,
maar om de nieuwe schepping…
Want allemaal bent u in Christus gedoopt,
met Christus bekleed.
Er is geen Jood of Griek meer,
er is geen slaaf of vrije,
het is niet man en vrouw:
u bent allemaal één in Christus Jezus.
Gal 6,15; 3,27-28
Christus heeft de oorspronkelijke bedoeling van de schepping hersteld.
Merk op dat voor Paulus het nieuwe beginsel is gebaseerd op het doopsel. Want hierin had Jezus Christus een radicaal nieuw begin gemaakt. In het Oude Testament waren alleen de mannen de onmiddellijke dragers van het Verbond door de besnijdenis. In het Koninkrijk van Jezus waren mannen en vrouwen gelijkelijk lidmaat omdat zij in Christus delen door een en dezelfde doop.
In het verbond van het Oude Testament begon de ongelijkheid bij de geboorte.
- Elk eerstgeboren mannelijk kind ‘dat de moederschoot opende’ moest worden vrijgekocht door een speciale offergave. Een meisje telde niet (Ex 13, 11-16).
- Alle mannelijke kinderen moesten op de achtste dag na de geboorte besneden worden. Dit was een wezenlijke voorwaarde om te behoren tot het verbond, min of meer zoals ons doopsel voor het behoren tot de kerk. Er was echter geen overeenkomstige initiatierite voor vrouwen (Gen 17, 9-14).
- Dit alles kwam er op neer dat God zijn verbond had gesloten met de mannen, de 'zonen van Israel'. De vrouwen deelden slechts indirect in het verbond, door hun vader en door hun man.
Ook kon een vrouw ten tijde van het Oude Testament binnen de religie niet handelen als een zelfstandige persoon, onafhankelijk en in haar eigen recht.
- Een godsdienstige gelofte die door een vrouw werd afgelegd was slechts geldig als die was bekrachtigd door haar vader of door haar man (Num 40, 2-17).
- Vrouwen konden geen offergaven aanbieden. Haar opgaan naar de tempel was vrijwillig, niet verplicht. ‘Driemaal per jaar moeten al uw mannen verschijnen bij God de heer' (Ex 23, 17).
- De inrichting van de tempel van Jeruzalem beperkten de toegang voor vrouwen tot het voorhof voor de vrouwen. Terwijl mannen het ‘voorhof van de Israëlieten’ tegenover het voorhof van de priesters met het brandofferaltaar mochten betreden, moesten de vrouwen achterblijven in het ‘voorhof voor de vrouwen’.
Paulus die een uitstekend theoloog was, besefte heel wel de revolutionaire veranderingen die teweeggebracht waren door het doopsel van Christus, een sacrament waarvan hij het effect omstandig beschrijft (Rom 6,1-23). Het is daarom veelbetekenend, dat hij de fundamentele gelijkheid van mannen en vrouwen uitdrukkelijk toeschrijft aan hun gelijke deelname aan dat sacrament. Zowel de mannen als de vrouwen ‘hebben zich bekleed met Christus’.
De toegang van vrouwen tot het volle dienstwerk van het priesterschap ligt besloten in deze fundamentele gelijkheid. Want in het Oude Testament was het priesterschap voorbehouden aan Joden en aan de stam van Aaron. Toen het rassen- en klassenonderscheid (Griek-Jood, slaaf-vrije) was opgeruimd, kon ieder delen in het priesterschap van Jezus. Hetzelfde geldt in principe voor het genderonderscheid (man-vrouw), dat, zoals Paulus toegeeft, ook te boven is gekomen.
Als Paulus vrouwen nog niet toeliet tot het volle priesterambt (zoals we het vandaag verstaan), dan komt dat, net als in het geval van Christus, door de sociale druk die vrouwen ondergeschikt maakte aan mannen.
Vertaling Theresia Saers
Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen.. |

