Conflict met de Farizeeën

Hoofdstuk Twee

Van: Een albasten kruik. Over de rol en betekenis van Maria van Magdala door Theresia Saers eerst gepubliceerd door Syntax Publishers in 1998. Hier met verlof van de schrijfster en uitgever gepubliceerd in een bewerkte versie (2001)

Onder degenen die naar Johannes kwamen luisteren vinden we uiteraard ook de Farizeeën. Iedere nieuwe bewering met betrekking tot de Wet moest door hun worden goedgekeurd, omdat zij zichzelf zagen als de erfgenamen van de zetel van het recht en van de wijsheid die aan Mozes behoorde. Deze nieuwe profeet beweerde dat hij zijn gezag regelrecht van Jahweh ontving. Iets dergelijks was ontoelaatbaar. Johannes kent zijn farizeeën. Hoewel zij zich oner de toehoorders bevinden vragen zij hem niet eenmaal wat zij wellicht in hun leven kunnen veranderen om zich voor te bereiden op de komst van de Redder, de Messias. Zij konden toch niet openlijk toegeven dat zij niet volmaakt waren? Johannes weet wel beter. Wanneer ook zij om de doop vragen, klaagt hij hen aan: ‘Adderengebroed, wie heeft jullie gewaarschuwd om te vluchten voor de komende vergelding? Maar als jullie oprecht berouw hebt, breng dan passende vruchten voort, en zeg niet Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg jullie: God kan kinderen voor Abraham verwekken uit deze stenen…’ Wat moeten zij nu? Knarsetandend gaan ze heen en zeggen tegen allen die het maar willen horen, dat Johannes van de duivel bezeten is. Als Jezus zelf hen later aanklaagt met dezelfde bewoordingen beschuldigen zij hem in hun frustratie ervan dat hij met de duivel samenzweert.

Wie zijn die mensen dan wel, waar Johannes zo tegen uitvaart en wel in dezelfde bewoordingen als Jezus van Nazareth later zal doen?

Ongetwijfeld zijn de schriftgeleerden de theologen van hun tijd. Ze kennen de Schriften en zelfs al het commentaar dat in latere eeuwen ijverig was toegevoegd door generatie op generatie godsdienstleraren. Helaas echter zijn nogal wat farizeeërs letterknechten, en wat erger is: ze gebruiken hun kennis om zichzelf groot maar de ongeletterden klein te maken, en op deze wijze verkrachten zij de Wet. Jezus zelf zal keer op keer precies aanwijzen waarin de farizeeërs als geloofsleraren tekort schieten.

  • Ze zijn belust op ereplaatsen.
  • Ze timmeren aan de weg.
  • Ze hangen de teksten die ze zich innerlijk dienen eigen te maken enkel als sieraad om hun lichaam.
  • Ze maken van hun positie gebruik om weduwen uit te buiten.
  • Ze schrijven allerlei zaken voor waar ze zichzelf niet aan wensen te houden.
  • Ze zien de tekenen van de tijd niet en daarom zijn het blinde leiders van blinden.
  • Ze miskennen de goede Geest in mensen.

Jezus vat tenslotte zijn bezwaren tegen hen samen in deze schrikwekkende beschrijving: "het zijn "witgepleisterde graven, van binnen vol dood en verderf."

Als groep hebben de farizeeërs fundamentalistische trekjes: ze dulden geen afwijking van de letter, ze zaaien angst om zich heen, zodat sommigen uit hun rangen alleen 's nachts met Jezus van Nazareth durven spreken.

Als deze mensen te maken krijgen met een geestelijk leider die pleit voor naastenliefde en voor het opdiepen van de ware betekenis van de Wet, moeten er wel problemen komen. Johannes is de eerste die wordt uitgemaakt voor een mens die van de duivel bezeten is. We weten dat op gezag van Jezus van Nazareth. Hijzelf is de volgende En wat de vrouw Maria betreft, die wetens en willens de rij van onkritische volgelingen van farizeeërs en schriftgeleerden verlaat en haar heil zoekt bij de profeet die een komende redder aankondigt, zij moet voor hen een abominabel vrouwmens geweest zijn. De farizeeërs zullen later dan ook geen beschrijving voor haar kunnen vinden die krachtig genoeg is, en het wordt begrijpelijk dat zij haar om die reden een 'hamartolis' gaan noemen, iemand die het fout heeft, ja, die fout is. (Luc. 7,37)

InleidingBeeld MeditatiesBibliografieEvangelie-teksten‘Een Albasten Kruik’Terug naar ‘home’ pagina