Deze getuigenis is genomen uitZur Priesterin berufen (“Vrouw, en geroepen tot priester”), ed. door Ida Raming, Gertrud Jansen, Iris Müller en Mechtilde Neuendorff, Druck und Verlagshaus Thaur (Krumerweg 9, A-6065 Thaur, Austria) 1998, pag. 190 - 200.
“En deze vrouw, een dochter van Abraham --- moest die dan niet worden losgemaakt van haar boeien - -?” (Lc 13,16)
Ik ben in 1951 geboren in Swickau, Saksen,. Zo ver ik me kan herinneren voelde ik me als klein meisje tevreden met mezelf en met de wereld van het gezin. Vooral de band met mijn grootmoeder, een heel vrome vrouw, was nauw. Zij vertelde het weetgierige kind dat vol vragen zat, over een God die kinderen laat beschermen door engelen. Omdat ik helemaal vertrouwde op die bescherming, voelde ik me op de leeftijd van drie, vier jaar moedig genoeg om dingen te gaan ondernemen in de stad, wat maakte dat de familie me met een heel stel mensen moesten gaan zoeken. Toen ze me nog net op tijd voor een bus vandaan trokken, bewees dat voor mij het bestaan van engelbewaarders. En er kwam nog een bewijs, toen ik de poppenkleertjes die ik had verloren na oprecht gebed terugvond aan de deurknop. Ja, ik leefde onder de vleugels van deze grote God, tot wie mijn grootouders elke dag de rozenkrans baden.
Deze harmonie werd wreed verstoord door de vlucht van mijn vader. Vlak na Kerstmis verdween hij van de een op de andere dag, en in hun angst gaf niemand mij antwoorden. Bijna een jaar lang was ik, kind van zes, zeven jaar, onrustig en verdrietig, en langzamerhand besefte ik dat God zijn kinderen ook laat lijden. Hij deed toch hetzelfde met zijn zoon, Jezus van Nazareth?
Hongerig luisterde ik naar alles wat de katechist ons ‘s middags in de godsdienstles vertelde. En toen al begreep ik dat dit geloof dat mij troost gaf ook iets van me wilde en dat ik tegenover mijn atheïstische klasgenootjes moest getuigen van dit geloof; dat betekende bijvoorbeeld dat ik de enige was in de klas, die geen lid was van de “Jonge Pioniers”. Zodoende werd ik al snel een outsider. Toen mijn moeder er eenmaal in was geslaagd met ons, de twee kinderen, mijn jonger broertje en mij, via Berlijn naar West Duitsland te vluchten, en wij herenigd werden met mijn vader in een dorpje in Laag Saksen, voelde ik met mijn acht jaar dat er in de nieuwe werkelijkheid van het leven geen “engelbewaarders veiligheid” meer was, ondanks alle vurige avondgebeden, die bleven onbeantwoord.
In die periode van mijn eerste twijfels heb ik een ongewone ‘troost’ ondervonden, en die werd mijn zending. Een lieve zuster uit Glücksburg, die me verzorgde toen ik eens van een ziekte moest herstellen, voorspelde: “Jij gaat je naam eer aandoen!” En ondanks alle negatieve ervaringen van later jaren iedere keer als ik sprak over mijn religieuze weg, heb ik deze bemoedigende woorden gekoesterd tot op de dag van heden.
Mijn naam gaf verplichtingen, en dus stortte ik mij vooral met vuur op de voorbereiding van mijn Eerste Communie. Ik wilde mezelf waardig betonen, wat er ook gebeurde, en ik was al snel de lievelingsleerling van de pastoor. Mijn hart stond in vuur voor deze Jezus als vriend en “Bruidegom”; ik wilde net zo rein zijn als Maria Goretti en was in wanhoop als ik weer “zonde had gedaan”. Ik raakte bijna verslaafd aan de biecht en aan zuiverheid, en het werd de oorsprong van sommige van mijn kwalen.
Het “waardig” ontvangen van de eucharistie was in zekere zin de eerste stap op mijn weg naar vroomheid.
Omdat mijn ouders weigerden in te gaan op mijn verlangen om naar een zustersschool te worden gestuurd en ik verder moest in een openbare school, probeerde ik daar als een van een klein groepje Katholieke meisjes te getuigen van mijn geloof. Ik stond er bijvoorbeeld op dat ik mijn eigen godsdienstles kreeg (iets wat toen vaak ontbrak in de diaspora) en op het bijwonen van de Mis. Vooral op langere schoolreisjes moet ik mijn docenten op de zenuwen hebben gewerkt. Bij een bezoek aan Rome van drie weken eiste ik de persoonlijke vrijheid op om de aflaten te ontvangen die toentertijd verkrijgbaar waren in de kerken van Rome. Typerend voor iemand in de puberteit werd ik heen en weer geslingerd tussen mijn basisopleiding in trouw aan de Kerk en de katechismus en nieuwe twijfels, veroorzaakt door de grote dosis klassieke literatuur die ik toen verslond.
Uiteraard was ik actief in onze parochiegemeenschap. Ik was heel graag misdienette geweest, maar ik moest tevreden zijn met voorbidden en lectrice zijn en groepsleidster. In mijn jeugd had ik steeds meer kritiek op de pastoor. Tot ontzetting van mijn ouders ben ik verscheidene keren de kerk uit gelopen vanwege zijn preken, omdat ik vond dat uit zijn “ideologie van het lijden” gebrek aan menselijke waardigheid sprak. Of ik weigerde pertinent de Mis bij te wonen, waarvoor ik van mijn vader straf kreeg. Ik moest bijvoorbeeld de gedichten van Annette von Droste-Hülshoff in het “Geestelijk Jaar” van buiten leren.
Mijn geloofsstrijd ging het wezen van mijn leven uitmaken. Ik herinnerde me steeds de woorden van die bewuste zuster, en het werd me duidelijk dat ik het liefst een geestelijke weg zou opgaan. Dat werd nog versterkt door het Tweede Vaticaans Concilie, waarvan ik tot aan het eind van mijn schooljaren grote verwachtingen had.
Maar de vragen bleven zich in mij opstapelen. In menig gesprek zocht ik een antwoord op wat er in mij brandde – mijn roeping? Welke roeping stond er in de Katholieke Kerk open voor de vrouw? Mijn ouders waren al verbijsterd om mijn wens om na mijn eindexamen theologie te gaan studeren en sleepten me langs allerlei “mensen met ervaring”, die me uiteraard adviseerden mij verre te houden van de theologie. Een van hen was een professor, zo herinner ik me, hij is nu overleden. “Als jij theologie gaat studeren, misluk je en zul je te lijden krijgen.” Uit dergelijke goedbedoelde waarschuwingen kon ik toen al opmaken dat er iets mis is met een Kerk die haar vrouwen – nog wel met roeping – niets kan bieden dan lijden!
Mijn verlangen om theologie te studeren en beschikbaar te zijn voor andere mensen was sinds mijn kinderjaren steeds maar toegenomen. Mijn schoolvriendinnen begrepen het, maar mijn ouders achtten het nog steeds onmogelijk. Hoe kon een meisje nu zoiets doen? Bovendien waren er in mijn familie al genoeg mislukte theologen. De pogingen van mijn ouders om me ervan af te brengen mislukten. Ik bleef bij mijn besluit.
Een priester uit de voormalige DDR had me aangeraden Münster te kiezen voor mijn studie, aangezien daar uitstekende theologen onderricht gaven. Ik werkte tot de aanvang van het semester zodat ik over geld kon beschikken, en vertrok in oktober 1969 naar Münster, een totaal onbekende stad. Ik weet niet hoe ik de moed kon opbrengen. Alleen, ik voelde dat wat ik deed terecht was.
Vol enthousiasme stortte ik me op de studie. Vooral de exegese vond ik belangrijk. De faculteit en de studentengemeenschap leken me een eenheid, en aanvankelijk zag ik geen verschil tussen de zogenaamde priesterstudenten en de leken. Maar al snel wist ik beter. Ik was een meisjesstudentje, dat daarnaast geld moest zien te verdienen in ongeschoolde arbeid, en ik ging de “weelde” ervaren van de priesterkandidaten, waar voor werd gezorgd in speciale behuizing en die bijvoorbeeld speciaal getraind werden voor de colleges van Karl Rahner en Johan Baptist Metz. Ik vond dat onrechtvaardig. En zo gebruikte ik met vriendinnen kennissen onder de toekomstige priesters om van die training te profiteren, met andere woorden van die betere training.
Toentertijd waren de meeste Katholieken zich nog niet bewust van de onrechtvaardigheid in de situatie van de vrouw in de Kerk. De feministische theologie was in Duitsland nog bijna onbekend, en wij vrouwen waren aanvankelijk heel blij dat we geaccepteerd werden als theologiestudenten, zogenaamde leken theologen. Het beroep van parochiewerker en pastoraal werker had zich nog niet ontwikkeld.
Rond mijn derde semester maakte ik weer een ernstige geloofscrisis mee. Ik heb al gezegd dat er uiterlijk niet veel verschil was tussen vrouwelijke leken en clerici, en dus was het vanzelfsprekend dat er zich relaties ontwikkelden tussen de vrouwelijke en de mannelijke theologiestudenten, zonder dat er enige aandacht werd geschonken aan de wet van het celibaat. De frisse geest van het Concilie deed ons geloven in een nieuwe ondogmatische Kerk, zodat we dachten dat het probleem van het celibaat niet bestond, tot er persoonlijke beslissingen werden gevraagd. Sommige mannen bleven achter hun vrouw staan en gaven de weg van het priesterschap op. Anderen lieten de vrouwen maar zien hoe uit de problemen te komen. Ik was enorm geraakt door het verdriet van die vrouwen en steunde hen zoveel ik maar kon; vele van de onmenselijke regels van deze Roomse Kerk kon ik niet volgen.Ik zocht naar geestelijke steun bij de vragen die me zo bezighielden, en in plaats van hulp stiet ik op een dubbele moraal die me bezwaarde – als het maar niet bekend wordt…
Toen ik in deze situatie de man ontmoette die ik later zou trouwen en die bereid was zijn klerikale status op te geven, was ik enorm onder de indruk van zijn beginselvastheid. Toen kende ik zijn ware motieven nog niet, die heb ik leren kennen in de loop van een pijnlijke gezamenlijke geschiedenis.
Ik had begrepen wat een vernederende rol een vrouw kan spelen in de Rooms Katholieke Kerk en probeerde niet langer troost te ontvangen van klerikale raadslieden maar in de Bijbel zelf. En hier vond ik die. Hoe ongelooflijk bevrijdend en bemoedigend was de houding van Jezus van Nazareth geweest tegenover patriarchale structuren wat vrouwen betreft! Zijn woord: “En deze vrouw, een dochter van Abraham --- moest die dan niet worden losgemaakt van haar boeien op de sabbat -?” was ook op mij van toepassing, het theologiestudentje, dat nu wezenlijk en waarachtig in vuur en vlam stond voor de boodschap van deze mens, die de kromgegroeide vrouw haar waardigheid teruggaf en het vermogen rechtop te lopen.
Ikzelf zou menig keer kromgroeien - - -
Allereerst zocht ik voor mijn examenthema de bevrijdende houding van Jezus ten opzichte van de vrouwen om hem heen, zoals vooral door de evangelist Lucas beschreven, en ter vergelijking de ambivalentie van Paulus. Toen wist ik nog niet dat de pastorale brieven postpaulinisch zijn. Ik moest toestemming zien te verkrijgen voor dit onderwerp dat uit mijn eigen binnenste opwelde. Ik begon eraan, en dit leidde tot een ontmoeting met Ida Raming, die bezig was met de wettelijke gelijkheid van de vrouwen in de Rooms Katholieke Kerk. Ik nam haar en Iris Müller als voorbeeld en kon zien hoe pijnlijk gediplomeerde vrouwen behandeld werden, als zij zich niet voegden naar de officiële standpunten.
Na een Katholieke opvoeding met de anti-seksualiteit en de schaarste aan geslaagde rolpatronen had ik geen idee en geen ervaring van wat liefde en huwelijk eigenlijk inhouden, en nam de beslissing die ernstige gevolgen zou hebben. Als ik mijn priesterroeping niet kon volgen, leek het op mijn weg te liggen dat ik met een priester zou trouwen. En hij was nog steeds “priester voor eeuwig”, zoals het document over de laïcisering stelt, ook al mocht hij zijn functies niet meer uitoefenen. Kregen we nu niet de kans om samen een soort partnerschap op te bouwen, als het ware een nieuwe priesterdienst?
Het duurde vele jaren aleer ik besefte dat de gemeenschap van belangen een illusie was geweest.
Ondertussen zag ik mezelf alleen maar als een “goede” Katholieke echtgenote in de lange rij van vrouwen die slechts bestonden “in” en “door” hun man. En als er moeilijkheden waren was dat volgens het klassieke model beslist mijn schuld en moets ik maar liever mijn inzet voor het gezin en de school verdubbelen—Dat leidde bijna tot zelfontkenning.
Mijn horizon werd steeds beperkter, ongeveer zoals met het beeld van de kromgegroeide vrouw. Ik was onderdanig en offerde mezelf op, volgens de theologie waar ik me ooit tegen had verzet maar die ik ondertussen had geïnternaliseerd.
Het lijden werd voor ons beiden steeds erger. In plaats van anderen te helpen, had ik zelf wanhopig op zoek naar hulp. Ik had mijn eigen ideeën uit de feministische theologie opgegeven, doordat mijn kracht was weggevloeid door het soort huwelijksleven dat mijn man en ik leidden.
Lange tijd zat ik tot mijn nek in een nooit aflatende strijd om te overleven. Het duurde een tijd vóór ik de pathologische structuur doorhad van de band tussen mij en mijn priester-echtgenoot. Het moeilijke onderscheidingsproces duurde ongeveer 15 jaar. Voor mij heeft het beslist een uitzuivering betekend. Wat me nog steeds verdriet doet is dat ik het heb laten wegen op mijn drie kinderen, niet met opzet maar wel feitelijk. Ze hebben geen beschermde jeugd gekend; het zijn kinderen van gescheiden ouders, met alle negatieve effecten daarvan tot op de dag van vandaag.
Mijn hoop is dat wij uit deze boeien zullen worden bevrijd door een liefhebbende en humane God, bevrijd en opgericht zoals de kromgegroeide vrouw, en zo zullen worden geheeld.
En zo ben ik dan op weg. Met wat me aan kracht is gebleven werk ik op mijn “fromm” manier (vertaling zie p 1) voor een broederlijke-en-zusterlijke solidaire Kerk, waarin niemand meer om redenen van sekse worden gediscrimineerd, en waarin charisma’s zich volledig kunnen ontwikkelen. Ik ontleen o. a. moed aan de beweging Kerk van Mensen “Wir Sind Kirche”. Na jaren van berusting ervaar ik in het verbond van gelijkgezinde vrouwen en mannen een enthousiasme voor een vernieuwde Kerk zoals na de afsluiting van het Tweede Vaticaans Concilie
Mijn eigen levensverhaal is de belangrijkste drijfkracht bij wat ik tegenwoordig doe; ik weet bijvoorbeeld waar het toe leidt, wanneer een verlegen en onzekere man klerikaal wordt overschat, of wanneer een vrouw herhaaldelijk in een gietvorm wordt gedrukt , gemarginaliseerd en behandeld als een pathologisch geval.
Waarom zouden pogingen hervorming in te voeren niet o.a. uit mijn eigen ongenoegen mogen voortkomen?
Maar mijn eigen bron is mijn geloof in deze moederlijke reddende, mysterieuze God, die mens werd in Jezus van Nazareth.
En daar waar ikzelf regelrechte ervaring heb gehad van uitsluiting en onderdrukking, geloof ik dat het hoog tijd is een eind te maken aan het onrecht in de Rooms Katholieke Kerk en het gewijde ambt open te stellen voor de vrouw. Een eerste stap, die al lang is voorbereid, zou zijn, het diaconaat voor vrouwen.
Wij vrouwen kunnen het niet langer accepteren dat de werkelijkheid van ons leven, onze spiritualiteit, onze kennis en creativiteit in deze Kerk vaak verworpen worden en ontkend. Het lijden van onze zusters door de eeuwen heen en tot op de dag van vandaag moet ons blijven aanzetten. De vrouwelijke kant van God mag niet langer verborgen blijven. De “volheid van leven” kan alleen worden ervaren in het volledig ontwikkelen van de mannelijke en de vrouwelijke kant. Is dat geen mooie prikkel om onze angsten te overwinnen en de rigide hiërarchische structuren te veranderen?
Wij, Katholieke vrouwen in het bijzonder moeten onze krachten bundelen in zusterlijke solidariteit en onze stem verheffen! En het zou mooi zijn als we daarbij steun kregen van de mannen.
Tijdens de Eerste Europese Vrouwensynode in Oostenrijk in 1996 heb ik meer aanmoediging gekregen om “rechtop te lopen”. Daar drong er bij de vrouwen op aan dat we “onszelf kracht zouden geven” om datgene te doen waartoe we ons geroepen voelen. Actie zal verandering met zich mee brengen.
En zo heb ik op de Synode een speciaal embleem ontdekt, de ‘Paarse Stola’ . Sindsdien maak ik met andere vrouwen de zondige ondergeschiktheid van de vrouw in de Rooms Katholieke Kerk overduidelijk. Wij eisen een bekering tot een verlossende coëxistentie van de seksen in kerk en maatschappij.
Enkel en alleen door te werken aan de realisering van mijn droom van een intacte Kerk, waarin mensen elkaar vrij van angst kunnen ontmoeten, verkrijg ik kracht om in hoop en vreugde te getuigen van het Goede Nieuws, en dat vooral in mijn beroep. Bij ieder stapje voel ik de boeien losser worden, voel ik hoe ik aan het genezen ben, hoe ik langzamerhand weer rechtop kom te staan door mijn geloof in de liefde van God.
Ik bid dat deze bron van kracht me zal laten volharden tegen alle moeilijkheden, vijandigheid en teleurstelling over de trage voortgang van de hervormingen in de Kerk.
Geduld beoefenen valt me moeilijk, en het wordt nog een zware test mijn adem in te houden bij de wens die ik nu voel en die voor mij een “mislukking” is, mijn roeping tot het diaconaat te kunnen uitoefenen.
Of ik bij een zichzelf vernieuwend Permanent Diaconaat mijn ervaring en capaciteiten kan inbrengen, en hoe mijn persoonlijke en tot nu toe niet beleefde talenten worden gewaardeerd door deze Kerk, de Ruach zal het uitwijzen.
Follow Up
Tot aan de Bisschoppenconferentie in Fulda in september 1997, had de campagne van de ‘Paarse Stola’ van meer dan honderd mensen hun wens gehoord om in de Rooms Katholieke Kerk de functie van priester of diaken op zich te nemen.
Aangezien onze brief met een verzoek aan de voorzitter van de Duitse Bisschoppenconferentie deze bereidverklaringen te aanvaarden niet werd beantwoord, hebben we honderd gekleurde vrouwen van karton met paarse stool opgesteld bij de Kathedraal als een heel zichtbaar teken onder het motto: “Wij zijn niet van karton”.
De bisschoppen weigerden zelfs maar de geringste aandacht te schenken aan onze roeping als een geschenk aan de Kerk. Zelfs de kartonnen vrouwen schenen de meeste al schrik in te boezemen.
Ikzelf ging er ten onrechte van uit dat ik een nadere petitie zou kunnen overhandigen. Vergeet het: de vrouw werd aangehouden en door drie agenten vastgehouden. Het volgende beeld is in mijn geest gegraveerd: hetzelfde soort klerikale bombast en machtsvertoon is beslissend in het weghouden van vrouwen, en net als in de parabel van de onrechtvaardige rechter (Lc 18, 1-8) worden pleidooien eerst niet gehoord. Maar evenals bij de belofte van Jezus in deze parabel dat God spoedig recht zal verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen, zo werd na een lange wachttijd de petitie aangenomen door de persoonlijke secretaris van de voorzitter van de Voorzitter van de Duitse Bisschoppenconferentie.
Bovendien brak er menselijk respect door in het glimlachje van twee hulpbisschoppen. Daarin zie ik inter alia een element van bruggenbouw naar een broederlijke solidariteit binnen de Kerk.
Ik zou willen afsluiten met nog een teken van hoop. Bij de internationale ontmoetingen van Volk van de Kerk in Rome op 11 oktober 1997 – 35 jaar na het begin van het Tweede Vaticaans Concilie – droegen mannen en vrouwen van 16 landen de ‘Paarse Stool’ bij de gezamenlijke misviering, waarvan sommige heel artistiek met de hand gemaakt.
Binnen precies één jaar heeft dit idee zich wereldwijd verspreid. Ik ben er heel dankbaar voor. Laten we de goddelijke Ruach maar blijven vertrouwen.--
Maria Angelika Fromm - 1997
Vertaling Theresia Saers
| Overzicht vrouwen met een roeping | Tekenen van roeping | De weg van een vrouws | Stappen die je moet nemen | Kritiek beantwoorden | Je verhaal schrijven |
Als je je geroepen voelt priester te worden, sluit je aan bij ‘CIRCLES’!‘Circles’ heeft een speciaal ‘forum’ en ‘chatroom’ opzij gezet voor vrouwen die zich geroepen weten tot het priesterambt, om elkaar wederzijdse steun te geven. |
